Nu de expertmeeting, die op 28 juni 2005 in
het Haagse “Paard” plaatsvond, opnieuw heeft bevestigd dat Den Haag “aldus de
popmuziekexperts” Neerlands Beatstad nr. 1 is, lijken de kansen voor een
Nederlands Pop Museum alweer een stapje dichterbij te komen. Een allesbehalve
realistisch scenario, gezien het al jaren lange getreuzel en afwachtende gedrag
van de gemeente Den Haag t.a.v. een museum voor popmuziek binnen de Haagse
grenzen.
En dat terwijl er een kans ligt waarmee Den
Haag met zijn internationale aspiraties de mogelijkheid krijgt om zich met de
huisvesting van een museum voor Popmuziek te manifesteren met een medium dat
grensoverschrijdend is en symbool voor een kritisch vredelievend geluid.
In dit geval met de bruidschat van de
familie Schut en de stichting Rock & Art Hall of Fame Holland, die met behulp
van een grote schare vrijwilligers en projectmatige subsidies de afgelopen 10
jaar een collectie nationaal cultuurhistorisch erfgoed van de Nederlandse
popmuziekgeschiedenis bijeen heeft gebracht, die zich inmiddels internationaal
kwalitatief en kwantitatief kan meten met andere popmusea in de wereld.
Inmiddels lijkt ook het advies van het in
2002 verkennende onderzoek naar de contouren van een popmuseum, dat in opdracht
van de gemeente Den Haag werd uitgevoerd een realistisch scenario te worden. Het
perspectief voor een toekomstig nationaal popmuseum zou daarin alsvolgt
geschetst kunnen worden. Gezien de aard van de collectie zou de basisbenadering
moeten bestaan uit een deel museum en een deel attractie.
Een ervaringsbenadering zoals één van de
experts bevestigde tijdens de “Paard-meeting”. Vanuit deze gedachte kan een
museaal cultuurcentrum voor popmuziek (MCP) ontspruiten. Levensvatbaar wordt
deze benadering vanuit een tri-partite struktuur: de Gemeente Den Haag – Rijk –
Private sector.
Ten eerste moet de gemeente Den Haag zijn
consequenties trekken uit het succesvolle burgerinitiatief en de unanieme
uitspraak van de Haagse gemeenteraad om de mogelijkheid te bestuderen van een
permanent Nationaal Popmuseum in Den Haag.
Dit zou gestalte moeten krijgen in het
faciliteren met een toplocatie en een participatie in een passende huisvesting
van allure.
Ten tweede zou, als binnenkort de resultaten
bekend worden van het A-D status onderzoek naar de kwaliteit van de collectie
popmemorabilia ook het Rijk en specifiek het ministerie van OC&W zijn conclusies
moet trekken. In geval van een A status als conclusie van het bovengenoemd
kwaliteitsonderzoek betekend dit dat er sprake is van een nationaal
cultuurhistorisch erfgoed. Volstrekt logisch als je bedenkt dat er bijvoorbeeld
unieke origineel compositie- muziekpapier in de collectie wordt beheerd van
inmiddels wereldberoemde en helaas overleden popmusici. De vergelijking met de
klassiekers van enkele eeuwen geleden laat weinig te denken over.
Een professionele huisvesting, waar de puur
museale conservering gewaarborgd kan worden is dan dus de eerste
verantwoordelijkheid. Tesamen met de gemeente Den Haag zou dan een synergie
kunnen plaatsvinden ten aanzien van een geschikte plaats en het behoud en beheer
van de collectie in een geschikt al dan niet te realiseren gebouw.
Tot slot – ten derde – is er de private
sector als derde speler. Deze wellicht meest interessante en dynamische speler
draagt de verantwoordelijkheid voor de programmatuur.
Zoals in het bovengenoemd verkennend
vooronderzoek is aangegeven zal het centrum dan uiteindelijk op twee benen
staan. De museale huisvesting en het attractieve programma, dat wordt
aangeboden.
Dat iconen en veteranen uit de
(pop)muziekwereld met een zakelijk succesvol curriculum hierin moeten deelnemen
is evident. Vanwege de noodzakelijke investeringen en vanwege de hiermee
samenhangende waarborg dat de plannen tot een succesvol project kunnen leiden.
De pop & rockmuziek geboren in de jaren 50
uit een milieu van zwarte Amerikaanse gospel, blues en rythm & blues en blanke
folk en countrymusic heeft in het Haagse inmiddels diepe groeven achtergelaten.
In eerste instantie in de 33 en 45 toeren platen van weleer van muziekhelden als
Q 65, de Motions, Group 1850, Shocking Blue, Earth & Fire, Livin’ Blues, the
Tielman Brothers en de Golden Earring, maar vooral in de voorhoofden van de
initiatiefnemers en vele enthousiastelingen van het popmuseum. Nu is het wachten
op de groeven die in de Haagse bodem worden getrokken voor de realisatie van de
fundering van het toekomstig Nationaal Pop Museum.