|
Paul Acket,
muziekimpresario, zoon van Bernard Willem Paul Acket, administrateur in
Nederlands-Indië, later wethouder, en Johanna Annetta Schut. Gehuwd op
21-12-1956 met Geertruida Catharina Liduina Nieuwmans (geb. 1933). Uit
dit huwelijk werden 2 dochters geboren.
Paul Acket groeide op in
Hilversum, waar zijn moeder zich in 1926, na remigratie uit
Nederlands-Indië, met haar drie kinderen vestigde; de vader bleef op
Java op een suikerplantage werken. Al tijdens zijn jaren op de HBS-B van
het Christelijk Lyceum vulde Acket - samen met schoolvriend Ger
Lugtenburg - een handgeschreven blaadje over het wel en wee van
omroepartiesten uit zijn woonplaats. In zijn eindexamenjaar 1940
organiseerde Acket jazzy concerten met van de radio bekende musici,
waarvoor hij, met een bakfiets door Hilversum rondrijdend, reclame
maakte. Zelf bespeelde Acket geen instrument.
Tijdens de Duitse bezetting
trok Acket zich aanvankelijk niets aan van het verbod op jazzmuziek en
bleef hij concerten organiseren, vooral in het plaatselijke Theater
'Gooiland'. De Ortskommandant liet hem - naar verluidt - echter met een
berisping gaan toen hij zag met een onschuldig ogende jongen van doen te
hebben. Halverwege de bezetting werd Acket in het kader van de
Arbeitseinsatz opgeroepen. Hij gaf weliswaar aan deze oproep gehoor,
maar in Zuid-Duitsland probeerde hij naar Zwitserland te vluchten. Hij
werd opgepakt en eerst tewerkgesteld bij het Stadttheater in Konstanz en
in het laatste halfjaar van de oorlog in een wapenfabriek.
Na de bevrijding woonde Acket
ruim een half jaar in Parijs, waar het jazzleven opbloeide. Terug in
Hilversum kreeg hij een baan bij de Amsterdamsche Bank. Het werk lag hem
niet, zodat hij in 1947 solliciteerde naar een functie op de
advertentieafdeling van het Haagse dagblad
Het Vaderland
. Hier kreeg Acket al snel de kans recensies over jazzmuziek te
schrijven. Tevens werd hij medewerker van
Tuney Tunes
, een blad met voornamelijk muziekteksten, dat eind 1942 in Eindhoven
ondergronds was begonnen en na de bevrijding landelijk werd verspreid.
Medio 1949 werd Acket de eerste vaste redacteur van
Tuney Tunes
, waarbij hij bedong daarnaast ook een jazzblad te mogen maken. Dat werd
Rhythme
, waarvan het eerste nummer verscheen op 15 oktober 1949.
Begin 1951 diende Acket zijn
ontslag in als redacteur van de twee bladen en werd hij impresario. Als
basis voor deze nieuwe werkzaamheden dienden zijn contacten met de jonge
Dutch Swing College Band, waarvoor hij al eerder enkele concerten had
georganiseerd. Het impresariaat was bescheiden van omvang en hield
kantoor in het souterrain van het ouderlijk huis in Den Haag. Maar Acket
bleek een ondernemend en vindingrijk man. Hij trok buitenlanders aan -
zoals de Britse zangeres Beryl Bryden - om samen met de Dutch Swing
College Band op te treden, en al in maart 1952 haalde hij de Amerikaanse
trompettist en pionier van de bobstijl, Dizzy Gillespie, naar Nederland.
Tegelijkertijd bleef Acket
actief in de muziekjournalistiek. Zo was hij van 1952 tot 1954 redacteur
van het aan klassieke muziek gewijde maandblad
Luister
, dat zijn kolommen ook openstelde voor goede lichte muziek. Eind 1954
verscheen het eerste nummer van het door Acket uitgegeven en grotendeels
zelf volgeschreven maandblad Muziek
Expres . Aanvankelijk was dit een
dun blaadje op niet veel meer dan krantenpapier met informatie over
lichte muziek en nieuwtjes over het privé-leven van artiesten. Na een
moeizame start kwam de doorbraak toen het tijdschrift zich ging richten
op muziek die jongeren aansprak; voor het eerst was er een blad dat
speciaal voor hen werd geschreven. De oplage vertienvoudigde en steeg
verder nadat het blad in 1960 op de smaak van lezer en luisteraar
afgestemde kant-en-klare programma's ging leveren aan het illegale
radiozendstation 'Veronica' onder de naam
Teenager Muziek Expres
.
Toen in het begin van de jaren
zestig door de populariteit van de popmuziek de belangstelling voor jazz
terugliep, haalde Ackets impresariaat jonge popzangers en -groepen naar
Nederland als Cliff Richard, Paul Anka, The Shadows en The Kinks. Later
volgden internationaal beroemde sterren en groepen als Frank Zappa, Ike
en Tina Turner, Michael Jackson, David Bowie, Jimi Hendrix en Pink Floyd.
De enorme in zwart-wit gedrukte affiches voor de concerten werden een
begrip.
Een dieptepunt was het concert
in augustus 1964 in het Scheveningse Kurhaus van de nieuwe Britse groep
The Rolling Stones .
The Rolling Stones Kurhaus
organisator Paul Acket weert jongeren af (fotograaf onbekend)
Hun optreden ging gepaard met ernstige
ordeverstoringen: zitplaatsen werden vernield, gordijnen kapot
gescheurd, kroonluchters naar beneden gehaald. Door politie-ingrijpen
kwam er voortijdig een einde aan het concert. De door Acket bij die
gelegenheid geslaakte kreet 'Van z'n leven niet meer!' zou een
gevleugelde uitspraak worden. Acket was echter zakenman genoeg om dit
voornemen niet in de praktijk te brengen. Wel nam hij zo zijn
maatregelen. Bij het tweede optreden van de popgroep, vijf jaar later,
huurde hij een karateschool af om de orde te bewaren. Het gevolg was
echter dat de bandleden na afloop klaagden over de passiviteit van het
publiek.
Intussen groeide Ackets
bedrijf. Hij ontplooide grote initiatieven. Als impresario had hij aan
het einde van de jaren zestig negentig procent van alle Nederlandse
popgroepen onder contract. In 1965 nam hij het blad
Tuney Tunes
over, dat hij korte tijd later herdoopte in
Popfoto
. Het was opnieuw een geslaagd project, zulks in tegenstelling tot
Tiq
, een maandblad over 'mode, sex, beat&politiek', zoals het eerste nummer
in november 1966 aankondigde. Het blad bereikte een redelijke oplage,
maar de stijl en inhoud stootte adverteerders af, en distributeurs
weigerden verspreiding. Daarom werd
Tiq
in 1968 opgeheven.
De winsten van de popbladen
benutte Acket om risico's te nemen met jazzconcerten, zijn grote liefde.
Hij was degene die Amerikaanse beroemdheden naar Nederland haalde, onder
wie Ella Fitzgerald (1952 en later), Billie Holiday (1954), Miles Davis
(1956), Dave Brubeck (1959), het Modern Jazz Quartet (1961), Count Basie
(1962), Duke Ellington (1967) en Thelonious Monk (1971). Daarnaast
organiseerde hij evenementen als het driedaagse Newport Jazz Festival in
Rotterdam (oktober 1966) en Jazz at the Philharmonic in Den Haag en
Amsterdam (november 1966). Een jarenlange competitie met zijn
collega-impresario Lou van Rees zorgde ervoor dat de belangrijkste
jazzmusici ter wereld in Nederland optraden.
Ackets muziekbladenimperium
breidde zich intussen verder uit. Zo nam hij in 1969 het blad
Teenbeat
over, dat hij samenvoegde met
Popfoto . Vooral
Muziek Expres
, met oplagen van een kwart miljoen, was een goudmijn. Dit trok de
aandacht van Verenigde Nederlandse Uitgeversbedrijven, die per 1 januari
1974 de door Acket uitgegeven bladen overnamen tegen een
miljoenenbedrag, dat het hem mogelijk maakte de rest van zijn leven niet
meer te hoeven werken.
Maar rentenieren lag niet in
Ackets aard. Hij bleef grote concerten organiseren, mede dankzij zijn
nieuw verworven kapitaal. Zo kwam het in juli 1976 tot het eerste North
Sea Jazz Festival in zes zalen van het Haagse Congresgebouw, een enorm
waagstuk. Het motto luidde: '30 uur jazz, 300 jazzmusici'. Er kwamen
9.000 mensen op af. Het Northsea Jazz Festival werd een traditie. De
grote verscheidenheid aan stijlen - van klassieke jazz en dixieland tot
funk en bebop - maakte het festival uniek in zijn soort. Om de
programmering op peil te houden reisde het echtpaar Acket een groot deel
van het jaar alle belangrijke festivals af. 'North Sea', zoals de
roepnaam werd, groeide uit tot het internationaal grootste
binnenfestival. In 1990 riep het toonaangevende Amerikaanse blad
Jazz Times
het uit tot het beste ter wereld.
Het North Sea Jazz Festival is
Ackets levenswerk geworden. Uit alle landen kwamen mensen naar Den Haag,
zodat na een aantal jaren 60.000 toegangskaarten werden verkocht, en het
aantal uitvoerende musici groeide naar duizend. De internationale
publiciteit was overweldigend. Toch liepen de kosten zo hoog op dat het
twijfelachtig werd of met het festival kon worden doorgegaan, ondanks
alle geld dat de Ackets er uit eigen vermogen in stopten. Uiteindelijk
zouden subsidies van ministerie en gemeente het voortbestaan garanderen.
In augustus 1990 werd bij Acket
- een kettingroker - longkanker geconstateerd. Tussen chemokuren door
bleef hij werken. Zo vond in november 1990 in Maastricht het Jazz Mecca
Festival plaats en in juli 1992 in Amsterdam het Drum Rhythm Festival,
beide onder zijn leiding. Intussen namen zijn lichamelijke krachten
echter zo af dat hij van het North Sea Festival in juli 1992 alleen het
inleidende concert kon bijwonen, en dat dan nog heel kort. Drie maanden
later overleed 'Nederlands belangrijkste jazzmusicus zonder instrument',
zoals zijn dochter Karin hem noemde.
Paul Acket was een gedreven
mens met een encyclopedische jazzkennis, een perfectionist, die zich
niet alleen richtte op de gevestigde musici, maar ook bereid was nieuwe
stijlen een kans te geven. Zijn hartelijke en oprechte aandacht maakte
dat hij het vertrouwen won van wereldsterren en hen - soms in afwijking
van hun eigen plannen - overhaalde tijdens een door hem georganiseerd
concert of festival op te treden. |